Taalverwerving bij jonge kinderen

Uit Babypedia

Ga naar: navigatie, zoeken

Snel en goed de eigen (moeder)taal verwerven is belangrijk. Behalve voor communicatie wordt taal gebruikt bij het organiseren van waarnemingen, het sturen van gedachten, het controleren van handelingen en het onthouden van gebeurtenissen. Al in de baarmoeder beginnen zich in de hersenen de gebieden te ontwikkelen die voor taalgebruik noodzakelijk zijn.

De eerste vijf jaar vormen de belangrijkste periode in de taalverwerving van de mens. In deze tijd leert het kind wat taal inhoudt (taalbegrip) en hoe taal gebruikt kan worden (taalproductie). Spelenderwijs ontdekt het dat taal een functie heeft en stap voor stap breidt zijn kennis van en vaardigheid in de taal zich verder uit. Taalverwerving is heel belangrijk, niet alleen voor de cognitieve maar ook voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind: het leert taal te gebruiken bij het maken, in stand houden en reguleren van contacten met anderen.

Omschrijving

Taalverwerving is het proces van leren praten. Het zich eigen maken van de benodigde taalvaardigheden is een cognitief leerproces. Klanken zijn de bouwstenen waarmee je woorden kunt vormen. Om taal te kunnen produceren moet het kind de regels leren om van klanken woorden, en daarna zinnen te maken en de motorische vaardigheden ontwikkelen om die regels toe te passen. Taalontwikkeling is echter geen zelfstandig proces - het gehoor, het denken, de motorische en de sociaal-emotionele ontwikkeling: ze zijn allemaal van invloed. Ook verloopt dit proces bij elk kind weer anders.

Verloop van de taalverwerving bij het jonge kind

Het proces van taalverwerving voltrekt zich bij jonge kinderen ruwweg in vijf fases: de voortalige fase, de brabbelfase, de één- en twee- woordenfase, de differentiatiefase en de voltooiingsfase.

Voortalige of prelinguale fase

De voortalige of prelinguale fase beslaat ongeveer de eerste acht maanden en vormt de basis van de taalontwikkeling. De verschillende manieren waarop het kind huilt zijn de evenzovele eerste vormen van communiceren. Het huilen traint ook de spieren die later nodig zijn om te kunnen praten. De klinkers (a, e, i, o, u) worden geoefend en vervolgens een groot deel van de medeklinkers. Het kind uit comfortgeluidjes als signaal van welbehagen en maakt daar soms een spelletje van. Gedeelten van tong en mond gaan meebewegen. Klanken als rrrrr of gggg worden geoefend, evenals verschillende toonhoogtes door fluisteren, roepen, schreeuwen. Het kind leert het verschil tussen zijn moedertaal en andere talen herkennen en ontwikkelt een voorkeur voor de moedertaal.

De brabbelfase

Deze start rond de leeftijd van ongeveer zeven maanden. Het kind oefent met het produceren van klanken en het imiteren van intonaties. Het lijkt soms wel hele verhalen te houden, weliswaar zonder echte woorden, maar wel met veel intonatie. Het kind begrijpt al veel, maar kan nog niet echt praten. Geleidelijk verdwijnen de klanken die het kind niet hoort in zijn omgeving uit zijn repertoire.

De één- en twee-woorden fase

Dit wordt ook wel de vroegtalige fase genoemd en start als het kind ongeveer één jaar oud is. Op zijn eerste verjaardag begrijpt het kind gemiddeld zeventig woordjes, maar kan het hooguit tien goed uitspreken. Wel krijgen de woorden betekenis voor het kind en het gaat ze steeds vaker nazeggen en herhalen. Maandelijks komen er nieuwe woorden bij. Vanaf de leeftijd van anderhalf jaar begint het kind ook twee-woorden zinnetjes na te zeggen en zelf te maken. Zodra het kind vijftig woorden spreekt gaat de taalverwerving in hoog tempo vooruit en komen er dagelijks nieuwe woorden bij.

De differentiatiefase

Deze fase begint bij de leeftijd van ongeveer twee jaar. In het begin gebruikt het kind nog vaak één woord voor een soort, zoals bijvoorbeeld ‘eend’ voor alle vogels en ‘pap’ voor alle soorten voedsel. Maar na ongeveer een half jaar vindt er plotseling een snelle vooruitgang plaats in de vorm van een sterk toenemend gebruik van drie-woorden zinnen, een forse uitbreiding van het aantal woorden en het gebruiken van meervoudsvormen en verkleinwoorden. Na het derde levensjaar gaat het kind klanken los uitspreken maar het kan ze vaak nog niet verbinden. Het kan nog hakkelen, struikelen over de woorden. Na het ontstaan van de meer-woorden zinnen gaat de ontwikkeling met sprongen vooruit. Hierbij valt een beginnende beheersing van de morfologie het meest op: het kind begint onderscheid te maken tussen de verschillende ‘vormen’ waarin taal zich uitdrukt zoals bijvoorbeeld bij negatieve en vragende zinnen en sterke en zwakke werkwoorden. Aan het einde van deze fase is er soms sprake van grammaticale overregulering. Dit houdt in dat het kind zich strikt houdt aan één grammaticale vorm omdat het de uitzonderingsregels nog niet goed kent. In deze tijd stelt het heel veel waarom vragen! Een aantal dingen beheerst het nog niet goed, zoals substitutie (vervangen van woorden of zinsdelen) inversie (omzetten van woordvolgorde) en omissie ( het weglaten van woorden of zinsdelen)

De voltooiingsfase

Deze fase begint bij het vijfde levensjaar- na de beëindiging van de differentiatiefase beheerst het kind zijn moedertaal grotendeels: de zinnen worden langer en completer. Ook gaat het woorden gebruiken die niet in zijn directe omgeving voorkomen en is het in staat om met vreemden, buiten zijn vertrouwde omgeving, gesprekken te voeren. Wanneer het kind zes jaar oud is begrijpt het ongeveer dertienduizend woorden, maar kan ze nog niet allemaal zelf spreken.

Geschiedenis en onderzoek

Het onderzoek naar de taalverwerving van kinderen is de laatste twintig jaren in een stroomversnelling geraakt. Universiteiten over de hele wereld, ook in Nederland, proberen er in “babylabs” achter te komen wat hier allemaal bij komt kijken. Hieronder volgen een aantal onderzoeksresultaten:

  • Schaerlakens (2008) publiceerde uitgebreid over de stand van zaken betreffende het onderzoek naar de taalontwikkeling van het kind in Nederland. Zij gaat in op het feit dat taalontwikkeling niet een proces is dat op zichzelf staat, maar waarop het gehoor, de denkontwikkeling, de motorische ontwikkeling en de sociaal – emotionele ontwikkeling allemaal van invloed zijn.
  • Chomsky toonde aan dat taalverwerving in de hersenen door duidelijke lokaliseerbare modules ondersteund wordt..
  • Leren spreken is een proces dat volgens Goorhuis (2007) zijn neerslag vindt op de hersenschors. In de primair sensorische gebieden ontwikkelen zich hersencellen die verbindingen aangaan met andere hersencellen waardoor er belangrijke functionele hersengebieden ontstaan die de basis vormen voor taalgebruik. De taal legt zich meestal vast op de dominante hersenhelft, waarbij tenminste zes functionele taalcentra worden opgebouwd die gezamenlijk het vermogen vormen tot het begrijpen en tot het produceren van taal.
  • Ook Elk en Hunnius geven in hun boek (Het babybrein, 2010) aan wat de resultaten zijn van hersenonderzoek en hoe bepaalde hersengebieden gerelateerd zijn aan de wijze waarop baby’s leren kijken, bewegen, praten en onthouden.
  • Volgens Key (babylab Utrecht) nemen baby’s in de buik van de moeder wel haar stem en het ritme van de taal waar, maar nog geen klanken of woorden. Taal is een ingewikkeld systeem en bestaat uit klanken, woorden en zinnen. Klanken zijn de bouwstenen van taal: je kunt er woorden mee bouwen. Baby’s moeten dus eerst de klanken leren. Deze worden vaak aangeboden in de vorm van woordjes. Omdat er bij het spreken nauwelijks waarneembare spaties zitten tussen de woordjes , is het moeilijk voor de baby de afzonderlijke klanken te leren onderscheiden.t.
  • Benders (babyresearchcenter.nl) onderzocht hoe ouders spraakklanken tegen hun baby’s uitspreken en hoe baby’s naar spraakklanken luisteren. Hoe onderscheiden ze bijvoorbeeld klanken die veel op elkaar lijken, zoals maar en naar?
  • Gervain e.a (2008) ontdekten dat baby’s van drie dagen oud al de tweedelettergreep van simpele ABB woorden (bijvoorbeeld mubaba) kunnen herhalen, in staat zijn twee verschillende grammatica’s van elkaar te onderscheiden en gevoelig zijn voor herhalingen.
  • Frederici en Wessels (1993) zagen dat kinderen van negen maanden oud aan woordenlijsten die echt in het Nederlands bestonden de voorkeur gaven boven die van betekenisloze woorden.

Tips voor ouders van jonge kinderen

In de onderstaande literatuur en links staan veel tips. Hier volgen enkele van de belangrijkste:

  • De indeling hierboven betreft gemiddelden. Wees niet te snel ongerust als het met je eigen kind wat anders of trager gaat.
  • Een positieve interactie werkt het beste. Voorkom corrigeren, gebruik vooral ja zinnen, herhaling en dan pas de juiste zin.
  • Praat rustig, neem de tijd nemen om te luisteren en te antwoorden
  • Laat het kind eerst praten en stel dan pas vragen. Gun het kind tijd om te reageren op je vragen
  • Praat op ooghoogte van het kind
  • Ondersteun het gesprek met gebaren, prenten, en het aanwijzen van dingen
  • Lok spontane reacties uit, zeg eens iets geks of onverwachts
  • Lees veel voor
  • Zing liedjes met en voor het kind
  • Gebruik rijke en geavanceerde taal, maar met korte en volledige – zinnetjes
  • Benoem en wijs voorwerpen en dieren e.d aan
  • Als je echt ongerust wordt: schakel dan deskundigen in

Bronverwijzingen en referenties

Referenties en aanbevolen literatuur – Nederlands:

Gillis, S. & A. Schaerlakens (red) (2000). Kindertaalverwerving: een handboek voor het Nederlands. Groningen: Martinus Nijhoff

Goorhuis Brouwer, S. & Schaerlakens, A.M. (1995)Handboek Taalontwikkeling, taalpathologie en taaltherapie bij Nederlands sprekende kinderen. Utrecht: De tijdstroom.

Goorhuis Brouwer, S. (2007) Taalontwikkeling en taalstimulering van baby’s, peuters en kleuters. Amsterdam: SWP.

Schaerlakens, A.M. (2008). De taalontwikkeling van het kind, Een oriëntatie in het Nederlandstalig onderzoek. Groningen: Wolters-Noordhoff

van Elk, M. & S. Hunnius (2010). Het babybrein: over de ontwikkeling van de hersenen bij baby's. Amsterdam: Bert Bakker.

Verrips,M. (1999). De taal van je kind – de verassende rijkdom van kindertaal. Kosmos-ZPK

Verrips,M. & R. Dekkers (2002). Kindertaal in beeld. Coutinho

Referenties – Engels:

Apel,K. & J.Maderson (2012). Beyond babytalk: From speaking to spelling: A guide to language and literacy development for parents and caregivers. Ed: Harmony

Friederici, A.D. & J.M.I. Wessels (1993) Phonotactic knowledge and its use in infant speech perception. In: Perception & Psychophysics, nr. 54 pages 287-295.

Gervain,J., F.Macagno, S.Cogoi, M. Pena, J. Mehler (2008). The neonate brain detects speech structure. In: Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA, 105 (37).

Owens Jr.,R.E. & L.Felden (2004). Help your baby talk. Pergee. Torre, E.J.van & J.van der Weyer (eds.) (2007) Voicing in Dutch. Amsterdam: J. Benjamins Publications

Externe links- Nederlands

Nederlands

www.allesoverkinderen.nl

www.babyresearchcenter.nl

www.babylab-leiden.nl

www.cultureelwoordenboek.nl

www.hoelerenbabies.nl

www.jeugdkennis.nl/jgk

www.kennislink.nl/publicaties/hoe-verwerken-babyhersenen-taal

www.kennislink.nl/publicaties/taal-begint-met-luisteren

twinspiratie.nl/content/view/23

kindentaal.logopedie.nl/site/taalverwerving

www.pedagogiek-online.nl

www.socialsciences.leiden.edu

www.kinderneuropsychologie.org/encyclopedie/taalverwerving

www.logopediecentrumdongen.nl/index.php/taal/61-hoe-verloopt-de-taalverwerving

Engels

www.babycenter.com

www.babycentre.co.uk

www.child-encyclopedia.com/Pages/PDF/LanguageANGmcP.pdf

www.child-encyclopedia.com

www.parenthood.com

www.parenting.com/article/baby-speech-milestones

www.zerotothree.org

Auteur

De eerste versie van dit artikel werd geschreven door Michael Jeroen Kanis.

Zoekwoorden

Ouderschap, cognitieve vaardigheden, taal, kindertaal, taalverwerving, taalontwikkeling, taalbegrip, taalvaardigheden, communicatie.

Speciale pagina's